Afronding onderzoek AMC

Interview met hoofdonderzoeker Michal Heger

Kurkuma tegen kanker

Het Nationaal Fonds tegen Kanker heeft onderzoek gesponsord naar de mogelijkheden van kurkuma, of geelwortel, in de strijd tegen kanker. Dit onderzoek is inmiddels afgesloten. Hoofdonderzoeker Michal Heger van het AMC in Amsterdam vertelt wat de resultaten zijn. Vooral over de manier waarop curcumine (een werkzame stof in kurkuma) op de juiste plaats kan worden gebracht zonder haar bruikbare eigenschappen te verliezen, zijn belangrijke ontdekkingen gedaan.

Kun je iets over jezelf en je werk vertellen?
Ik ben werkzaam als ‘principal investigator’ op de afdeling Experimentele Chirurgie van het AMC in Amsterdam. Ons werk richt zich hoofdzakelijk op galwegkanker, wat op een interdisciplinair en gebiedsoverschrijdend manier uitgevoerd wordt. Zo bestaat onze groep uit chirurgen die patiënten met galwegkanker opereren en die onderzoek doen naar belangrijke klinische vraagstukken om de patiëntenzorg te verbeteren. Tevens hebben wij een translationele onderzoeksgroep (de schakel tussen klinisch en fundamenteel onderzoek, mijn groep) die zich richt op alternatieve behandelingsmodaliteiten voor galwegkanker. Dit is noodzakelijk omdat slechts ongeveer 20 procent van de patienten operabel is. Voor de circa 80 procent niet-operabele patiënten proberen wij via onderzoek nieuwe methoden te ontwikkelen om op alternatieve manieren de patiënten te helpen. De experimentele therapieën die wij onderzoeken berusten op een minimaal invasief (het binnendringen van het lichaam, red.) en patiënt-vriendelijk karakter. Hier spelen fotodynamische therapie en curcumine een cruciale rol in.

Kun je in lekentaal vertellen waar je onderzoeksprogramma over gaat?
Fotodynamische therapie is een vorm van lichttherapie waarmee tumoren selectief behandeld kunnen worden, zonder al te veel schade aan gezond weefsel. Uit klinische studies is gebleken dat deze therapie heel goed aanslaat bij galwegkankerpatiënten en beter presteert dan radiotherapie of chemotherapie. Het grote probleem is dat patiënten vaak zelf lichtgevoelig worden, wat ongewenste bijverschijnselen kan veroorzaken. Dit komt doordat de ingespoten lichtgevoelige moleculen (zogeheten fotosensitizers die de therapie mogelijk maken) zich niet alleen maar opstapelen in de tumor, maar ook in de huid. De uitbehandelde patiënten moeten daarom een lange periode uit het zonlicht en in het donker blijven, wat natuurlijk onethisch en ongewenst is gezien hun situatie. Wij stoppen nieuwe, zogeheten derde generatie fotosensitizers in nanoscopische (zeer kleine, red.) vetbolletjes of liposomen, waarmee wij de effectiviteit van de therapie willen verhogen terwijl de opstapeling van de fotosensitizer in de huid beperkt wordt. Wij proberen de hele procedure via een minimaal invasieve manier, dus endoscopisch (Endoscopische Retrograde Cholangiopancreatografie, ERCP), uit te voeren zodat de patiënten minimaal last hebben van de behandeling.

Daarnaast gebruiken wij curcumine om de tumorcellen voor en na fotodynamische therapie te verzwakken c.q. uit te roeien. Curcumine heeft een bewezen werking in verschillende aandoeningen, maar voor de behandeling van kanker moeten nog goede klinische studies gedaan worden om de effectiviteit van de stof onomstotelijk aan te tonen. Wij doen dergelijke studies op verschillende fronten: het bestuderen van curcumine bioavailability (mate waarin de werkzame stoffen van een geneesmiddel beschikbaar komen op de bedoelde plek, red.) na orale inname; het ontwikkelen van liposomale formuleringen voor intraveneuze toediening (waar de vetbolletjes aan moeten voldoen, red.), en combinatietherapie met fotodynamische therapie.

Wat zijn de belangrijkste bijdragen in de strijd tegen kanker?
Wij hebben zogeheten vierde generatie fotosensitizers ontwikkeld voor de behandeling van tumoren met fotodynamische therapie. Deze fotosensitizers bestaan uit een tweede generatie fotosensitizer (zinc ftalocyanine) die ingekapseld zit in liposomen (nanoscopische vetbolletjes), waar moleculen aan toe zijn gevoegd die ervoor zorgen dat de tumor de fotodynamische therapie niet overleeft. Tumorcellen doen er alles aan om een therapie te overleven; dit geldt voor chemotherapie, radiotherapie en fotodynamsiche therapie. Dit is ook de reden dat tumoren soms terugkeren na een behandeling. Deze processen proberen wij dus om te leggen door een extra farmacologische interventie, waar curcumine een hoofdrol in speelt. Wij hebben niet alleen maar de vierde generatie fotosensitizers gemaakt, maar wij hebben op verschillende manieren ook aangetoond dat deze effectiever werken. De tumorcellen gaan als het ware harder dood na behandeling met vierde generatie fotosensitizers ten opzichte van liposomale zinc ftalocyanine alleen.

Wat betekenen de uitkomsten voor de toepassing van kurkuma?
Curcumine, de bioactieve stof in kurkuma, zorgt ervoor dat kankercellen meer gevoelig worden voor fotodynamische therapie. Hierdoor is curcumine zeker een bruikbare stof geworden in onze lopende onderzoekslijnen.

Wat is er zo bijzonder aan curcumine?
Het meest bijzondere is dat curcumine ervoor zorgt dat kankercellen doodgaan terwijl gezonde cellen dat niet doen. Dit hebben wij aangetoond door curcumine toe te voegen aan verschillende types kankercellen en aan hepatocieten (gespecialiseerde levercellen, die wij uit rattenlevers hebben geïsoleerd). Kankercellen gingen dood. Hepatocieten deden dat niet, zelfs niet op tien keer zo hoge concentraties. Dit wil niet zeggen dat het in een levend organisme zoals een mens ook per definitie het geval zal zijn, maar de resultaten zijn wel een solide basis om het onderzoek door te zetten.

Wat heb je dankzij het Nationaal Fonds Tegen Kanker kunnen doen?
Wij hebben dankzij de subsidies de vierde generatie fotosensitizers kunnen ontwikkelen en valideren voor effectiviteit. Tevens hebben wij aangetoond dat curcumine een belangrijke stof is die voordelig interveneert in de behandeling. Hier zijn twee promoties uit voortgekomen, namelijk die van Dr. Mans Broekgaarden (12 januari 2016) en van de heer Ruud Weijer (24 februari 2017).

Mei, 2017

Verschenen proefschriften