Longkanker is na huidkanker de meest voorkomende kwaadaardige tumor en is bij mannen ook de meest voorkomende doodsoorzaak aan kanker. Hoewel deze tumor bij vrouwen sterk in opkomst is, staat deze nu nog op de derde plaats van de kankersterfte.
De term longkanker is een ruim begrip: elke tumor die in de longen (binnen de longvliezen) voorkomt, wordt longkanker genoemd. De meest voorkomende vorm is het bronchuscarcinoom. Dit is een kanker van de bronchiën, de vertakkingen van de luchtpijp (trachea) die de ademhalingslucht tot diep in het longweefsel brengen waar de gasuitwisseling plaatsvindt in de longblaasjes (alveoli). Daarnaast komen ook vaak uitzaaiingen van andere tumoren in de longen voor.
Er bestaan twee hoofdtypen van longkankers: het kleincellig longcarcinoom en het niet-kleincellig longcarcinoom. Het kleincellig longcarcinoom kenmerkt zich door een snelle groei. De delingstijd van de cellen ligt vaak hoog, rond de 33 dagen, waardoor de tumor zich in een maand vrijwel kan verdubbelen. Het niet-kleincellig longcarcinoom is in feite ook weer een verzamelnaam voor een aantal kankersoorten: plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom, adenosquameus carcinoom en grootcellig carcinoom. De meest voorkomende van deze tumoren is het plaveiselcelcarcinoom. Dit vormt ongeveer 55% van de bronchustumoren in Nederland.

Verschijnselen

Oorzaken

Omdat de longen grote organen zijn met meestal ruime reservecapaciteit en met betrekkelijk weinig pijnzenuwen, geven longkankers in het algemeen pas laat verschijnselen. Zo blijken op het moment van ontdekking al meer dan 50% van de plaveiselcelcarcinomen zich uitgezaaid te hebben. Hoesten is een van de meest voorkomende symptomen. Elke hoest die langer dan zes weken duurt en elke blijvende verandering van een hoestpatroon zijn verdacht. Gebrek aan eetlust, vermagering en malaise komen ook veel voor, soms ook als eerste verschijnselen. Bloed ophoesten, pijn in de borst en kortademigheid zijn andere, wat minder frequente symptomen. Ook bij terugkerende longontsteking is het verstandig om röntgenfoto’s ter controle te laten maken. Bij twijfel is het daarom altijd verstandig uw huisarts te raadplegen.
Roken is onbetwist de belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van longkanker. Hierbij zijn zowel de hoeveelheid gerookte sigaretten, het soort sigaret en de beginleeftijd van roken van belang. Ook na het stoppen met roken blijft nog lang de kans op longkanker verhoogd, vermoedelijk nog tientallen jaren. Zo’n 15% van de (ex-)rokers ontwikkelt op den duur longkanker.
Vermoedelijk kunnen ook andere zaken een rol spelen bij het ontstaan van longkanker. Verdacht zijn roet, maar ook het fijne stof dat vrijkomt uit b.v. dieselmotoren. Ook van giftige stoffen zoals asbest en arseen, spuitbussen met chemische stoffen en van vluchtige oplosstoffen (zoals in oplosmiddelrijke verf) wordt vermoed dat zij mede een rol kunnen spelen bij het ontstaan van longkanker.
Komen er in de familie mensen met longkanker voor dan is het extra belangrijk om in ieder geval alert te zijn op de verschijnselen van de ziekte en in ieder geval niet te roken. Vermoedelijk speelt een bepaalde erfelijkheid bij longkanker een rol. Er bestaat in ieder geval een duidelijke familiaire predispositie. Dat wil zeggen dat de kanker in bepaalde families veel vaker voorkomt dan in andere.

Incidentie


Longkanker wordt het meest vastgesteld boven de 50 jaar en drie keer zoveel bij mannen als bij vrouwen. Voor mannen ligt het cijfer momenteel op 86,6 per 100.000 mannen. Het aantal vrouwen waarbij longkanker vastgesteld wordt is gestegen van 6 per 100.000 in 1960 naar 40 per 100.000 in 1990. Dit aantal is nog steeds aan het stijgen door de toename van het aantal rokende vrouwen. Vermoedelijk is door het toenemende gebruik van filtersigaretten het aantal longtumoren dat in de verdere vertakkingen van de bronchiën voorkomt gestegen.
De grote kankerverwekkende stoffen slaan namelijk neer in de eerste paar vertakkingen waar de luchtturbulentie het hoogst is, de kleinere komen echter verder. Sigarettenfilters houden een deel van de grote kankerverwekkende stoffen tegen. Omdat ook het nicotinegehalte in sigaretten is verminderd in de afgelopen decennia, is men vermoedelijk meer gaan roken en dieper gaan inhaleren. Hierdoor is geen gunstig effect op het voorkomen van longkanker waarneembaar door het toegenomen gebruik van de zogenaamde ‘light’ sigaret.

Diagnostiek

Naast een uitgebreide anamnese (uitvragen van klachten en symptomen) en een lichamelijk onderzoek waarbij niet alleen de longen maar ook lever, botten, stembanden, lymfeklieren en het hoofd onderzocht dienen te worden, zijn er diverse andere methoden om longkankers vast te stellen. Via röntgenfoto’s zijn alleen longtumoren waarneembaar die al een bepaalde omvang hebben. Gemiddeld moet een tumor minstens een centimeter groot zijn voordat deze met een röntgenfoto ontdekt kan worden. Met een CT-scan of een MRI-scan zijn iets kleinere tumoren ook aantoonbaar. Tevens zijn daarmee vergrootte lymfeklieren vaak aantoonbaar. Nadeel van de CT-scan is de stralingsbelasting, van de MRI-scan de prijs. Een PET-scan kan voor de juiste diagnostiek en behandeling zeer waardevolle informatie geven. Alleen door precies vast te stellen via diverse diagnostische mogelijkheden welke soort kanker en in welk stadium via het TNM-stadiëringssysteem een patiënt is, kan er een optimale behandelwijze worden vastgesteld.
Via een bronchoscopie, een kijkonderzoek met een flexibele slang in de bronchiën, zijn tumoren vaak goed in kaart te brengen en kunnen tegelijkertijd stukjes weefsel (biopten) voor diagnostiek worden weggenomen. Nadeel is dat alleen de centraal (in de eerste paar vertakkingen) gelegen tumoren bereikbaar zijn met de bronchoscoop. Ook onderzoek naar het sputum wordt verricht om te onderzoeken of daar tumorcellen in zitten en ook om te bepalen welke tumorcellen. Het soort tumor is namelijk sterk van belang voor zowel behandeling als prognose. Een andere manier om eventuele tumorcellen op te sporen is de broncho-alveolaire lavage (BAL). Hierbij worden de longen gespoeld met water (fysiologisch zout) en cellen verzameld voor onderzoek.
In een zeer beperkt aantal ziekenhuizen (o.a. VU-Amsterdam en Academisch Ziekenhuis Maastricht) is met autofluorescentietechniek op een makkelijke manier snel een precieze opname van de longen te maken. Deze techniek geeft een veel helderder beeld dan de gebruikelijke bronchoscopie.
Naast het lichamelijk onderzoek en de specialistische onderzoekingen wordt ook altijd bloedonderzoek verricht. Dit kan een goede indicatie geven van eventuele uitzaaiingen in b.v. lever of botten.
Er bestaan nog andere onderzoeken die soms ook noodzakelijk zijn. De transthoracale punctie is prikken met een naald door de borstkas heen om de tumor te bereiken en cellen te verzamelen. Mediastinoscopie is een operatie waarbij via de hals met een starre kijker in het weefsel tussen hart en longen wordt gekeken naar lymfeklieren en waarbij weefsel wordt verzameld. Oesofagusechoscopie is een echografisch onderzoek via de slokdarm. De slokdarm loopt namelijk in het achterste deel van het mediastinum, het weefsel tussen hart en longen. Pleurapunctie is het prikken tussen het binnenste en buitenste longvlies teneinde vocht en cellen te verzamelen. Eventueel kan hier ook de buitenkant van de longen mee bekeken worden, in welk geval het ingreep een thoracoscopie heet. Daarvoor moet dan wel de long gedeeltelijk samenvallen. Ondanks alle vorderingen in beeldvormende technieken is het soms toch nog nodig om chirurgisch de borstkas te openen en gewoon te kijken, vooral om te bepalen of er al lymfeklieruitzaaiingen zijn. Zo'n ingreep heet een proefthoracotomie.

Behandeling

Behandeling kleincellig longcarcinoom

Het stadium en de tumorsoort zijn van belang voor de keuze van de behandeling. Daarbij is de conditie van de patiënt natuurlijk ook van belang om te kunnen vaststellen of een patiënt nog te belasten is. Het is in het verleden niet zelden voorgekomen dat patiënten vlak na de behandeling zijn overleden omdat de behandeling voor de patiënten te zwaar was. Bij longkankerpatiënten zijn naast het bloedbeeld ook het longfunctie-onderzoek en een inspanningstest goede indicatoren.
Helaas zijn de werkelijk genezende mogelijkheden bij longkanker niet groot. Omdat longkanker in eerste instantie geen pijn geeft en bij de diagnose al 50% van de longkankers uitgezaaid is, komen veel patiënten komen pas in een laat stadium bij de arts terecht. Veel longkankerpatiënten verliezen snel veel lichaamsgewicht waardoor ook vaak een snellere vermindering van krachten optreedt.
In het algemeen wordt het kleincellig longcarcinoom uitsluitend behandeld met een chemokuur. Een kleincellig longcarcinoom kan alleen worden geopereerd wanneer de tumor nog beperkt van grootte is en geen uitzaaiingen heeft. Dus wanneer het stadium T1NoMo is. Onbehandeld is de prognose buitengewoon slecht. Chemotherapie is dus de basis van de behandeling. Er zal altijd bij de chemokuur worden gestreefd naar een remissie – dat wil zeggen dat de tumor ogenschijnlijk is verdwenen maar veelal kan alleen worden gestreefd naar een palliatieve behandeling. De behandeling is er dan op gericht om het leven te rekken en te zorgen dat de patiënt zo min mogelijk last van de tumor heeft.
Bij het kleincellig longcarcinoom zonder uitzaaiingen (limited disease) kan een remissie worden bereikt. Veelal wordt naast de chemokuur gelijktijdig radiotherapie aangeboden. Het juiste tijdstip waarop de radiotherapie naast de chemokuur gegeven moet worden ligt niet geheel vast omdat eensluidend onderzoek daarna tot nog toe ontbreekt.
Het kleincellig longcarcinoom zaait bij meer dan 50% van de patiënten uit naar de hersenen. Vaak wordt van tevoren daarom aan patiënten radiotherapie aangeboden ter voorkoming van de uitzaaiingen.

Aanvullende behandeling

Resultaten

Als ondersteuning van of aanvulling op de reguliere behandeling van de specialisten in het ziekenhuis, kunnen mensen met kanker ook zelf wat doen, namelijk gaan eten volgens de voedingsadviezen van de niet-toxische tumortherapie. Daarnaast is het ook mogelijk om behalve echt gezonde voeding ook extra voedingssupplementen, vitamines en mineralen te gaan gebruiken. Dit heet orthomoleculaire geneeskunde. Ga niet zelf hobby-en, maar zoek hiervoor een arts met ervaring op dit gebied.
Met goede voeding en extra voedingssupplementen blijken veel mensen een hogere kwaliteit van leven te krijgen, in diverse gevallen ook langer te leven en in een enkel geval zelfs te genezen. Hoewel er tot nu toe nog weinig statistische bewijzen zijn voor zo’n behandeling, lopen er in Nederland diverse mensen rond die ervan overtuigd zijn dat zij hun leven aan deze behandeling te danken hebben.
De prognose van een onbehandeld kleincellig longcarcinoom (limited disease) is gemiddeld na constatering circa drie maanden. Na chemo- met of zonder radiotherapie is dit gemiddeld zo’n 18 maanden.
Het kleincellig longcarcinoom dat reeds uitgezaaid is (extended disease) kent een overleving van een maand wanneer onbehandeld. Door behandeling kan dit toenemen van zeven tot elf maanden.
De 3-jaars overleving is kleiner dan 2% en de 5-jaars overleving kleiner dan 1%.

Behandeling niet-kleincellig longcarcinoom

Radiotherapie en chemotherapie bij niet-kleincellig longcarcinoom

Alleen voor patiënten bij wie de tumor tot de longen beperkt is, stadium T1 of T2 heeft en alleen de lymfeklieren aan de tumorzijde van de long zijn aangedaan (N0, N1), is een operatie (klikje operatie) mogelijk. De beste resultaten met operatief ingrijpen worden bereikt bij een tumor die zich beperkt tot een longkwab. Helaas kan slecht 20% van de patiënten met een niet-kleincellig longcarcinoom worden geopereerd. Bij de resterende patiënten is de uitbreiding te groot, zijn er al te grote of teveel uitzaaiingen, of laat de conditie van de patiënt een operatie waarbij een meestal aanzienlijk deel van de long wordt verwijderd, niet toe. De resultaten van curatieve radiotherapie van een longcarcinoom in het T1 en T2 stadium blijken echter vergelijkbaar met die van operatie.
Soms wordt ook een chemokuur voor de operatie aangeboden om de kansen op het volledig operatief weghalen van de tumor te vergroten. Ook bij stadium T3 wordt nog altijd overwogen om de tumor te verwijderen. In zo’n geval wordt dan altijd na de operatie radiotherapie gegeven. Tegenwoordig wordt ook veelal nog een chemokuur aangeboden.
Indien er veel uitzaaiingen zijn met een verhoogde N en M dan heeft chirurgisch ingrijpen geen zin meer.
Bij een stadium T1 en T2 is zeer goed curatieve radiotherapie mogelijk.
Bij een hogere stadiëring is radiotherapie nog zeer goed mogelijk maar is werkelijk langdurige genezing niet mogelijk. Wel kan er nog belangrijke overlevingswinst worden geboekt. Ook indien er pijnlijke uitzaaiingen naar de botten zijn kan radiotherapie een zeer goede behandeling ter bestrijding van de pijn zijn.
Chemotherapie heeft wel een palliatieve werking. Ook bij uitzaaiingen via het bloed of naar de lymfeklieren wordt soms een chemokuur gegeven. Het lijkt of er een kleine winst is te halen door een langere overleving met een behandeling van de nieuwere chemotherapeutica, terwijl de levenskwaliteit voor patiënten niet teveel wordt aangetast. Het mogelijk effect is missschien nog groter als er natuurlijke geneesmiddelen worden ingezet om de werking van cisplatine (een van de mogelijke componenten van een chemokuur) te vergroten en de bijwerkingen van de chemokuur zoveel mogelijk tegen te gaan.

Aanvullende behandeling

Kansen bij niet-kleincellig longcarcinoom

Als ondersteuning van of aanvulling op de reguliere behandeling van de specialisten in het ziekenhuis, kunnen mensen met kanker ook zelf wat doen, namelijk gaan eten volgens de voedingsadviezen van de niet-toxische tumortherapie. Daarnaast is het ook mogelijk om behalve echt gezonde voeding ook extra voedingssupplementen, vitamines en mineralen te gaan gebruiken. Dit heet orthomoleculaire geneeskunde. Ga niet zelf hobby-en, maar zoek hiervoor een arts met ervaring op dit gebied.
Met goede voeding en extra voedingssupplementen blijken veel mensen een hogere kwaliteit van leven te krijgen, in diverse gevallen ook langer te leven en in een enkel geval zelfs te genezen. Hoewel er tot nu toe nog weinig statistische bewijzen zijn voor zo’n behandeling, lopen er in Nederland diverse mensen rond die ervan overtuigd zijn dat zij hun leven aan deze behandeling te danken hebben.
In stadium I en II waarbij de tumor volledig is weggenomen, heeft 77% van de patiënten een 5-jaars overleving. Terwijl met stadium IV slechts 1% de vijf jaar overleeft.
Bij T3-tumoren is de overleving sterk afhankelijk van de uitzaaiingen na de behandeling. Zijn de artsen volledig in staat om de uitzaaiingen weg te krijgen dan stijgt de kans op overleving sterk. Bij uitzaaiingen op afstand zijn veel patiënten na een jaar overleden.
© 2007 - 2010 STICHTING NATIONAAL FONDS TEGEN KANKER