| Blaaskanker ontstaat meestal op de binnenzijde van de blaaswand. De tumor breidt zich langs de oppervlakte verder uit, maar kan ook in de diepte groeien, door de blaaswand heen. Met de groei in de diepte beginnen ook de uitzaaiingen. Via het lymfestelsel komen uitzaaiingen in de klieren in het bekken terecht, via het bloed zaait deze kanker vooral naar longen, lever en botten uit. Een erfelijke vorm lijkt in bepaalde families voor te komen, maar is vrij zeldzaam. VerschijnselenBlaaskanker leidt aanvankelijk niet of nauwelijks tot klachten. De eerste aanwijzingen zijn meestal bloedverlies en vaker plassen dan normaal. Maar dit kunnen evengoed symptomen van onschuldiger ontstekingen en aandoeningen zijn. Meestal is pijn (in de onderbuik) bij het plassen een laat symptoom, maar het kan ook op een voorstadium van kanker duiden. In de urine komen dan kankercellen voor, maar een echte tumor ontwikkelt zich nog niet. | ![]() De blaas ligt beneden in de buik. Hier wordt de urine verzameld die via de urinebuizen uit de nieren komt. Lozing gebeurt via de plasbuis. | |
Oorzaken | Diagnostiek | |
| Ruim een derde van alle blaaskankers valt terug te voeren op roken. Ook de inwerking van kankerverwekkende chemische stoffen zoals bijvoorbeeld benzidine in het slijmvlies van de blaaswand, spelen een rol. Vroeger werd in de industrie veel met dit soort stoffen gewerkt, maar de strengere arbowetgeving biedt, voor zover wij weten dat stoffen kankerverwekkend zijn, bescherming een betere bescherming. | Onderzoek naar kankercellen en bloedsporen in de urine geeft een eerste indruk, maar hoe groot de tumor is en waar deze zich precies bevindt, is dan nog niet duidelijk. Daarom wordt aanvullend met een cystoscoop via de plasbuis in de blaas gekeken, waarbij tevens wat weefsel voor onderzoek wordt weggenomen. Met röntgenfoto’s worden de urinewegen onderzocht, meestal na inspuiting met een contrastmiddel (dit heet een IVP, een intraveneus pyelogram) en met een echografie en een CT-scan kan de verdere uitbreiding bekeken worden. Soms wordt ook een MRI en een botscan gemaakt. | |
Behandeling | ||
| Is er een voorstadium van kanker aangetoond, dan kan de blaas met cytostatica gespoeld worden, een relatief weinig belastende vorm van chemotherapie. Groeit de tumor op de wand van de blaas, dan kan met de cystoscoop het aangetaste weefsel worden weg geschraapt met een soort elektrische mes (TUR – trans urethrale resectie van de tumor – via de plasbuis) of met laserstralen behandeld worden. Na een TUR wordt de blaas soms gespoeld met tussenpozen van 6 tot 8 weken met BCG-vloeistof., het vaccin tegen tuberculose. Dit is een vorm van immunotherapie die de blaaswand aanzet tot een sterkere afweerreactie. Hoewel niet zonder bijwerkingen heeft deze behandeling wel een profylactische waarde bij sommige patiënten. Groeit de tumor de diepte in, dus door de blaaswand heen, dan is een zwaardere operatie noodzakelijk. De blaas en de omringende lymfeklieren worden verwijderd en de patiënt krijgt een urinestoma of er wordt een blaasvervangende operatie uitgevoerd. Zolang de tumor niet buiten de blaas groeit, kan hiermee genezing bereikt worden. Bij uitzaaiing helpt deze ingreep het ziekteproces slechts te vertragen. | Aanvullend kunnen bestraling en chemotherapie worden gegeven, chemotherapie meestal alleen als palliatieve behandeling. In plaats van de volledige blaas te verwijderen is het ook mogelijk om bij kleine blaastumoren brachytherapie toe te passen. Bij kleine tumoren zijn de resultaten gelijk en heeft men niet het nadeel van een kunstmatige uitgang (catheter). Een relatief nieuwe behandeling maakt gebruik van locale hyperthermie in combinatie met chemotherapie. Deze wordt alleen toegepast wanneer chirurgische verwijdering niet mogelijk is en alleen bij het oppervlakkige blaastumoren (Superficial Transitional Cell Carcinoma of the Bladder, STTCB). Bij deze behandeling wordt de blaas gespoeld met een chemotherapeuticum terwijl de tumor ondertussen verhit wordt met hyperthermie door middel van radiogolven van 915 MHz. Hierbij wordt dus gebruik gemaakt van een transurethrale catheter. De behandeling kan poliklinisch plaatsvinden, en kan zes of meer weken duren. De behandeling is in principe palliatief, resultaten ervan zijn nog niet bekend. | |
Aanvullende behandeling | | |
| Als ondersteuning van of aanvulling op de reguliere behandeling van de specialisten in het ziekenhuis, kunnen mensen met kanker ook zelf wat doen, namelijk gaan eten volgens de voedingsadviezen van de niet-toxische tumortherapie. Daarnaast is het ook mogelijk om behalve echt gezonde voeding ook extra voedingssupplementen, vitamines en mineralen te gaan gebruiken. Dit heet orthomoleculaire geneeskunde. Ga niet zelf hobby-en, maar zoek hiervoor een arts met ervaring op dit gebied. | Met goede voeding en extra voedingssupplementen blijken veel mensen een hogere kwaliteit van leven te krijgen, in diverse gevallen ook langer te leven en in een enkel geval zelfs te genezen. Hoewel er tot nu toe nog weinig statistische bewijzen zijn voor zo’n behandeling, lopen er in Nederland diverse mensen rond die ervan overtuigd zijn dat zij hun leven aan deze behandeling te danken hebben. | |
Resultaten | Incidentie | |
| Zolang de tumor alleen aan de oppervlakte groeit, zijn er goede genezingskansen. De vijfjaars overleving bedraagt dan bijna 80 procent. Maar omdat de ziekte meestal pas in een later stadium ontdekt wordt en de patiënt vaak al op leeftijd is, zijn de vooruitzichten in het algemeen niet zo gunstig. | Blaaskanker komt het meest voor bij oudere mannen. Jaarlijks worden 2500 nieuwe gevallen geregistreerd. Het is de op vier na meest voorkomende kanker bij mannen. |



