| |
| | |
| Antioxidant of antioxidans | stof die oxidatie tegengaat |
| Adenocarcinoom | kankergezwel uitgaande van kliercellen |
| Adenoom | goedaardig kliergezwel |
| Adjuvant | als aanvulling op, bijvoorbeeld adjuvantchemotherapie, dat is chemotherapie als aanvulling op een andere therapie, bijvoorbeeld chemotherapie na radiotherapie |
| Alexander-techniek | een methode die erop gericht is om mensen hun lichaam weer op een juiste manier te gebruiken. Dit betreft vooral het verbeteren van houdings- en bewegingsgewoonten |
| ALL | acute lymfatische leukemie |
| Allogene BMT | beenmergtransplantatie van een donor |
| Aminozuur | bouwsteen van eiwit of proteïne |
| Analgetium | pijnloos makend middel |
| Anamnese | ziektegeschiedenis, beschrijving van een voorgeschiedenis van de zieke |
| Anemie | bloedarmoede |
| Anestheticum | gevoelloos makend middel |
| Angiogenese | ontstaan van bloedvaten
De groei of aanleg van kleine bloedvaatjes noemt men angiogenese. Een tumor moet bloedvaatjes aanleggen om zichzelf van voedsel te kunnen voorzien. Er worden medicijnen ontwikkeld die de aanmaak van bloedvaatjes tegengaan: angiogenese remmers.
Het inzetten van angiogenese remmers om de tumorgroei te stoppen lijkt heel logisch. Echter de praktijk blijkt weerbarstig
Het effect van een behandeling met angiogenese remmers is niet genezend, maar kan wel, soms langdurig, remmend zijn op de tumorgroei.
Iedere cel heeft een aanvoer van energie en afvoer van afvalstoffen nodig voor zijn voortbestaan. In snel groeiende tumoren, maar ook bij heling van grote wonden of de maandelijkse opbouw van baarmoederslijmvlies, overal waar snel grote groepen nieuwe cellen worden gevormd, moet het lichaam extra bloedvaatjes aanleggen. Anders sterven deze cellen snel. De groei of aanleg van deze kleine bloedvaatjes, zijtakjes van grotere vaten in de buurt, noemt men angiogenese.
Er zijn medicijnen die de aanmaak van die bloedvaatjes tegengaan, zodat tumoren niet meer goed kunnen groeien. De therapie moet zeer lang worden volgehouden omdat de tumor er niet door sterft, maar alleen maar wordt geremd. Er treedt geen resistentie op tegen deze medicijnen, zoals dat bij chemokuren wel gebeurd. Ook bestaan er natuurlijke (in voeding voorkomende stoffen) die als angiogenese remmers kunnen werken
|
| Antagonisme | elkaar opheffende werking van geneesmiddelen |
| Apoptose | geprogrammeerde celdood
Apoptose betekent wegvallen, apo = weg en ptosis =vallen. Met apoptose wordt de normale dood van gewone gezonde cellen bedoeld.
Een gewone, gezonde cel heeft een bepaalde levensduur. Hij ontstaat samen met zijn zusje na een deling van de moedercel. De cel ontwikkelt zich dan tot waar hij voor bedoeld is, doet zijn werk, deelt zich misschien nog eens een keertje en besluit dan te sterven. De oude cel sterft, en maakt zo ruimte voor nieuwe, jonge, gezondere cellen. Als cellen niet vanzelf besluiten om te sterven ontstaat er een groot probleem. Leven is niet mogelijk zonder dood.
Kankercellen hebben niet alleen een ontregeld delings-mechanisme maar vaak ook een ontregeld sterfte-mechanisme waardoor de kankercel besluit voor altijd door te leven en niet te sterven.
Medicijnen die de apoptose van kankercellen stimuleren zijn er ondertussen maar ze zijn nog erg nieuw en de werking is niet zo goed voorspelbaar. Zoals bij veel kankermedicijnen is het moeilijk medicijnen te maken die de (lichaamseigen) kankercellen wel aanpakken, en die de gezonde cellen met rust laten.
|
| APST | autologe perifere stamceltransplantatie, transplantatie van eigen stamcellen (na hoge dosis chemotherapie) |
| Arachidonzuur | onverzadigd vetzuur dat bij ontstekingsprocessen ontstaat |
| Ascites | vochtophoping in de buikholtevochtophoping |
| Atheroomcyste | huidsmeergezwel |
| Atypie | een bij microscopisch onderzoek abnormaal uiterlijk dat er echter nog niet volledig als kanker uitziet |
| Auscultatie | lichamelijk onderzoek luisterend met stethoscoop |
| Autonoom | zelfstandig, zich ontrekkend aan bovenliggende reguleringmechanismen |
| Barrett-slokdarm | premaligne veranderingen van het onderste deel van de slokdarm door zoutzuur uit de maag |
| Basale-celkanker | vaak voorkomende huidkanker |
| Benigne | goedaardig |
| Biopsie | operatie of punctie om een stukje weefsel te verkrijgen voor microscopisch onderzoek |
| Borstkanker –ductale | borstkanker uitgaande van melkgangtakje |
| Borstkanker –lobulaire | borstkanker uitgaande van melkklierkwabje |
| Brachytherapie | radiotherapie waarbij de radioactieve bron in of tegen het weefsel aan wordt gebracht (interstitiële therapie) |
| Bronchuskanker | longkanker, kanker van luchtvertakkingen in de long |
| Cachexie | zeer slechte algemene toestand door falen van het metabolisme |
| Carcinoïd | zeldzame tumor in de darm uitgaande van hormoonproducerende cellen |
| Carcinogeen agens | kankerverwekkende stof |
| Carcinogenese | kankerverwekking |
| Carcinoma in situ | beperkt, zich (nog) niet uitbreidend carcinoom |
| Carcinoom | kwaadaardige epitheeltumor |
| Cel | de kleinste functionele eenheid in het lichaam met xxx. Er zijn ongeveer 150.000.000.000 cellen in ons lichaam. |
| Celtherapie | het toedienen van cellen die een vergelijkbare functie hebben als de cellen die door een ziekte zijn verminderd of verdwenen, veelal per injectie. Deze oude techniek wordt tegenwoordig vooral toegepast als stamceltherapie (met foetale cellen) en bij leukemie waarbij alle eigen (bloed)stamcellen zijn vernietigd |
| Cervixcarcinoom | baarmoederhalskanker |
| Chemodektoma | zie glomus tumor |
| Chemotherapeutica | chemische geneesmiddelen met remmende of dodelijke werking tegen ziekteverwekkende micro-organismen of kankercellen |
| Chemotherapie | behandeling met chemotherapeutica |
| Chondrosarcoom | kanker uitgaande van kraakbeencellen |
| Chromosoom | één van de 23 paar staafvormige structuren in de celkern bestaande uit genen |
| CIN | cervical intraepithelial neoplasie, nieuwgroei in het epitheel van de cervix |
| CIS | carcinoma in situ, beperkt, zich niet uitbreidend carcinoom |
| Clear cell carcinoma | kankercellen die er helder uit zien |
| Climacterium | overgangstijd naar menopauze |
| Clonal deletion | vernietiging van bepaalde B- en T-lymfocyten of mechanisme om auto-immuun reagerende cellen te verwijderen |
| Clonal selection theory (Burnet) | theorie betreffende verworven immunitaire tolerantie |
| Coagulatie | stolling, toepassing van hitte zodat de eiwitten waarui de cellen bestaan, stollen en verkolen |
| Cocarcinogenese | verschijnsel warbij een stof een andere (kankerverwekkende) stof activeert, zodat een op zichzelf effectloze lage dosis hiervan toch een tumor induceert |
| Codeïne | opiaat gemaakt van de papaverplant, pijnstillend en hoestonderdrukkend |
| Colectomie | operatie om dikke darm (colon) te verwijderen |
| Colon | Colon ascendens is het opstijgende deel (rechts in de buik), colon transversus is het dwarse deel (onder de maag), colon descendens is het afdalende deel (links in de buik), colon sigmoideum is de kronkeldarm (tussen colon descendens en rectum, de einddarm)
Conditie, de algemene gezondheidssituatie van een patiënt. Voor veel behandelingen is een voldoende conditie nodig, waarbij het genezingsproces na de behandeling goed kan verlopen. Bij een onvoldoende conditie is vaak sprake van vermagering, te geringe voedingstoestand en/of functiestoornissen van bepaalde organen, vooral hart, longen, lever, nieren, darmen en afweersysteem
|
| Conjunctivatumor | tumor van het bindvlies van het oog |
| Contra-indicatie | een argument of reden tegen het uitvoeren van een bepaalde ingreep of handeling |
| Cryopreservatie | bewaring in bevroren toestand |
| Cryotherapie | ingreep waarbij het weefsel bevroren wordt |
| CT-Scan, Computerized tomography | röntgenonderzoek van een serie dunne plakjes van een deel van het lichaam |
| CUP | Cancer of unknown primary, kanker van onbekende moedertumor |
| Curatief | genezend, een ingreep die bedoeld is om blijvende genezing te bewerkstelligen |
| Curettage | wegkrabben van weefsel |
| Cyste of cystis | een holte gevuld met weke of vloeibare inhoud en een wand van epitheelcellen |
| Cytologisch onderzoek | microscopisch onderzoek van cellen |
| Cytoplasma of celplasme | gel-achtige substantie waaruit de cel is opgebouwd bestaat uit karyoplasma, de gel-achtige subsatntie in de celkern, de rest is het cytoplasma |
| Cytostatica | meervoud van cytostaticum, stof die de groei en voorplanting van cellen stopt |
| Cytostaticum | geneesmiddel dat de deling van cellen tegengaat |
| Cytotoxicum | geneesmiddel dat giftig is voor cellen |
| Detoxificatie | ontgifting |
| Differentiaal diagnose | de te overwegen andere diagnoses |
| Differentiatie | het rijp worden van cellen, zodat ze hun specifieke taak kunnen gaan vervullen |
| Differentiatie (van cellen) | ontwikkeling in een speciale richting, bijvoorbeeld van een primitieve cel die nog geen eigen functie heeft naar een gedifferentieerde cel, zoals bijvoorbeeld een levercel |
| DNA | deoxyribonucleic acid, bouwstenen van de genen |
| Dukes A, B, C, D | maat voor het stadium waarin darmkanker zich bevindt, het getal geeft aan in hoeverre de tumor nog niet (A) of juist wel is doorgegroeid in de darmwand en/of uitgebreid via bloed of lymfe (D). |
| Duodenum | twaalfvingerige darm |
| EB-virus | Ebstein Barr-virus |
| EBT-Scanning | elektronenbundeltomografie |
| Eiwitten of proteïnen | groep van ingewikkelde organische verbindingen die het grootste deel van het protoplasma (vloeistof in de cel) uitmaken; voornamelijk alfa-aminozuren en hun derivaten |
| Endocriene klier | een klier die hetgeen wat hij maakt direct in het bloed uitscheidt |
| Endometrium | baarmoederslijmvlies |
| Endoscopie | onderzoek van de darm via een starre buis (rectoscopie) of een flexibele slang (gastroscopie-maag en slokdarm en sigmoïdoscopie en coloscopie-dikke darm) |
| Enterohepatische (kringloop) | betrekking hebbend op de (dunne) darm en lever |
| Enzym | een stof die chemische reacties beïnvloedt, bijvoorbeeld bij de spijsvertering of stofwisseling |
| Enzymtherapie | een behandeling waarbij gebruik wordt gemaakt van enzymen. De enzymen kunnen teveel aanwezige stoffen afbreken en hierdoor een positief effect hebben op zieke organen en immuunsysteem. |
| Epidemiologie | specialisme van artsen over het voorkómen van ziekten in het algemeen en het voorkómen van de verspreiding van ziekten (voorkomen van een epidemie bijvoorbeeld) in het bijzonder |
| Epidurale toediening | toediening in het ruggenmergkanaal |
| Epitheel | weefsel bestaand uit bedekkende cellen (huid en slijmvlies) en kliercellen |
| Erytrocyten | rode bloedcellen |
| Etiologie | leer van de oorzaken van ziekten, pathogenese |
| Euthanatica | middelen gebruikt bij euthanasie |
| Excisie | letterlijk uitsnijding, het verwijderen van weefsel door chirurgisch ingrijpen |
| FAP | familiaire adenomateuze polyposis, polyposis coli, een zeldzame, dominant erfelijke aandoening waarbij vanaf jeugdige leeftijd vele adenomateuze (uitgaande van kliercellen) poliepen van het slijmvlies van het colon en rectum worden gevormd, met soms ontwikkeling tot carcinoom |
| Fibrosarcoom | kanker uitgaande van bindweefselcellen |
| Fotodynamische therapie of Photodynamic therapy, (PDT) | therapie waarbij een cytotoxisch effect wordt bereikt door een lichtgevoelige stof zich aan tumorweefsel te laten binden. |
| Fractionering | bestraling in kleine, vaak dagelijkse doses, hyperfractionering, bestraling in nog kleinere, vaak tweedagelijkse doses |
| Fyllodesgezwel | bijzonder soort borsttumor |
| GALT | Gut associated Lymphoid Tissue – De barrière tegen schadelijke stoffen en organismen die gevormd wordt door de darmwand en het erbij behorende lymfoïde weefsel |
| Gap junctions | communicatiestructuren tussen cellen; maakt tussen cellen via kleine kanaaltjes passage van stoffen mogelijk waardoor een groep cellen tot een eenheid met dezelfde functie kan worden samengevoegd; komt overal in het lichaam voor |
| Genezingsproces | het proces waarbij de kanker, al dan niet na behandeling, geheel uit het lichaam verdwijnt en de patiënt weer geheel gezond wordt |
| Genoom | complex van alle erfelijke factoren in de celkernen |
| Glioom | hersentumor uitgaande van het steunweefsel |
| Glomus tumor of chemodektoma | tumor uitgaande van cellen die het zuurstofgehalte in het bloed waarnemen |
| Glucose | druivensuiker of dextrose, met galactose stereo-isomeer monosacharide |
| HA | heterocyclische aminen, onder andere afkomstig van gebakken vlees |
| HBV | hepatitis-B-virus, een virus dat onder meer geelzucht veroorzaakt |
| Heliobacter pylori | vooral in de maag voorkomende bacterie die een rol speelt bij maagzweren en maagkanker |
| Hemaferese | Hemaferese, een manier om iets uit het bloed te zeven |
| Hematogene verspreiding | uitzaaiing van de tumor via de bloedvaten naar andere plaatsen in het lichaam |
| Hepatocellulair adenoom | goedaardig kliergezwel in de lever |
| Hickman-katheter | geïmplanteed kathetersysteem voor continue toegang tot de bloedcirculatie |
| Histiocytosis van Langerhans | woekering (uitbundige groei) van histiocyten, cellen afkomstig uit een bepaalde witte bloedcellen stam |
| Histologisch onderzoek | onderzoek met een microscoop aan weefsel |
| HIV | humaan immunodeficiëntie-virus, het virus dat AIDS veroorzaakt |
| HNPCC | hereditaire niet polyposis colon cancer, erfelijke vorm van dikke darm kanker |
| Hodgkin ziekte van | bepaalde kwaadaardige lymfweefsel tumor |
| HPV | humaan papilloma virus, groep van diverse virussen die een voorkeur hebben voor wratten |
| HRT | hormon replacement therapy, therapie waarbij hormomen worden gebruikt |
| HVT | hormoonvervangende therapie |
| Hyperfractionering | bestraling in zeer kleine, vaak tweedagelijkse doses |
| Hyperthermie | (plaatselijk) verhoogde temperatuur, therapie wordt gebruikt om kankercellen gevoeliger te maken voor sommige vormen van bestraling of chemotherapie |
| Hyperthermiebehandeling | behandeling door toevoeging van warmte, bijvoorbeeld een behandeling van kwaadaardige gezwellen bij ongeveer 42 graden Celcius. Reguliere en alternatieve hyperthermiebehandelingen vertonen aantal opmerkelijke verschillen |
| Icterus | geelzucht |
| Immuniteit | aangeboren of verworven onvatbaarheid voor infecties of giftige stoffen |
| Immunotherapie | het verwekken van immuniteit ter behandeling van een ziekte |
| In vitro | methode van onderzoek buiten het lichaam, in het laboratorium, in een reageerbuis |
| In vivo | in het lichaam, in het levende organisme |
| Incidentie | aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een groep van 100.000 mensen, of hoe vaak een ziekte voorkomt |
| Infertiliteit | onvruchtbaarheid |
| Informed consent | schriftelijke toestemming van een duidelijk voorgelichte patiënt om mee te werken aan een medisch onderzoek |
| Initiaal of initieeel | met betrekking tot begin van een ziekte of behandeling |
| Inspectie | lichamelijk onderzoek door goed te kijken |
| Intercellulaire communicatie | communicatie tussen cellen onderling |
| Interferon | stof met onder andere vertragende invloed op de deling van cellen |
| Interstitiële therapie | zie brachytherapie |
| Intrathecale toediening | toediening van een stof of medicijn binnen de ruggenmergvliezen door middel van een ruggenprik |
| Intraveneuze toediening | toediening van een stof of medicijn via een ader, vaak in de arm |
| Invasief | binnendringend, zoals tumorcellen soms invasief kunnen zijn ten opzichte van omliggend gezond weefsel, de tumor groeit dan gezond weefsel binnen |
| Ioniserende stralen | stralen die ionisering veroorzaken, waarbij atomen of moleculen elektronen afstaan of opnemen, zoals bij röntgenstraling of radioactieve straling |
| Kankercel | een cel die zich ongeremd kan vermenigvuldigen en zich aan de normale regelmechanismen heeft onttrokken |
| Kankergezwel | een woekering van kankercellen die samen een kanker vormen |
| Kern-morfometrie | onderzoek van de moleculaire afwijkingen in de celkern |
| KGC | klinisch genetisch centrum |
| Kliercelkanker | kanker uitgaande van kliercellen, adenocarcinoom |
| Klinisch | zoals via directe waarneming (dus zonder technische onderzoekstechnieken) valt te constateren |
| Klinische depletie | slechte algemene toestand door stoornis van het metabolisme (stofwisseling) |
| Laparoscopie | kijkoperatie in de buik waarbij konijnenoorvormige spiegels worden gebruikt |
| Larynxkanker | kanker van het strottenhoofd |
| Leucocyten | witte bloedcellen |
| Leukemie | kanker uitgaande van witte bloedcellen, lymfatische leukemie is bloedkanker van leucocyten, myeloïde leukemie is bloedkanker van bepaalde beenmergcellen |
| Leukoplakie | premaligne (voor het kwaadaardige stadium) afwijking in het slijmvlies van de mond |
| Lineaire versneller | bestralingstoestel voor diep en oppervlakkig liggende tumoren |
| Liposarcoom | kwaadaardige tumor uitgaande van vetcellen |
| Locoregionale uitbreiding | letterlijk plaatselijk en/of in de buurt. Veelal gaat het hier om om uitzaaiing van de primaire tumor naar een lymfeklier die het eerste lymfeklierstation is dat het weefselvocht voor het gebied van de tumor opvangt (zoals in de oksel voor de borst) |
| Longkanker | bronchuskanker, kanker van luchtvertakkingen in de long, SCLC, small cell lung cancer, kleincellige longkanker, zeer ernstige vorm van longkanker, NSCLC, non small cell lung cancer, niet kleincellige longkanker |
| Lymfangiosarcoom | tumor uitgaande van lymfvatcellen |
| Lymfatische leukemie | bloedkanker uitgaande van leucocyten, witte bloedcellen |
| Lymfogene metastering | uitzaaiing via lymfestelsel |
| Lymfomen | tumor uitgaande van het lymfweefsel |
| Lymfoproliferateive maligniteiten | kanker van het lymfweefsel, kwaadaardige lymfomen |
| MAI | mytotische activiteitsindex, een maat voor celdeling |
| Maligne of maligniteit | kwaadaardige cel of groep kwaadaardige cellen |
| MALT | mucosa associated lymphoid tissue, bepaald type weefsellaag van lymfecellen |
| Manuele therapie | in het algemeen een behandelingsvorm waarbij getracht wordt een verstoorde gewrichtsfunctie te herstellen door middel van een handgreep. Er bestaan diverse stromingen en technieken binnen deze vorm van therapie. |
| MEC | medisch ethische commissie, commissie van een aantal personen binnen het ziekenhuis die onderzoeksopzetten en gevallen van bijvoorbeeld euthanasie beoordeelt op hun ethische of mens(w)aardige aspecten |
| MEDLINE | grote database met wetenschappelijk onderzoek, www.ncbi.nlm.nih.gov/PubMed/ |
| Megavolt therapie | radiotherapie met sterk doordringende stralen |
| Melanoom | zeer ernstige vorm van kanker van de huid die uitgaat van pigmentcellen |
| Melatonine | hormoon dat door het lichaam wordt gemaakt in de epifyse, de hersenen en tevens wordt gebruikt als medicijn bij slaapstoornissen of door alternatieve artsen voor kankerpatiënten |
| MEN | multiple endocriene neoplasie, een vorm van schildklierkanker |
| Meningioom | tumor van het hersenvlies |
| Mesothelioma | kanker van het borst- of buikvlies |
| Metabolisme | stofwisseling |
| Metastase | een uitzaaiing van een tumor, een cel van de moedertumor is losgeraakt en heeft zich via lymfe of bloedbaan verplaatst en is nu ergens aangeland alwaar deze cel zich gaat delen en zelf tot een tumor uitgroeit, deze nieuwe tumor noemt men een metastase of uitzaaiing. |
| Micrografische chirurgie | operatietechniek om een huidkanker te verwijderen |
| Migratiedrang | de drang die tumorcellen hebben om zich te willen verplaatsen, hoe groter die drang, hoe groter de kans op uitzaaiingen |
| Mitochondriën | staaf of bolvormige onderdelen in het plasma van de lichaamscel die tezamen de energiecentrale van de cel vormen |
| Morfine | opiaat gemaakt van papaverplant, pijnstiller die vaak gebruikt wordt en die in hoge dosis de aanzet kan zijn voor een pijnloos sterven |
| Mortaliteit | sterftepercentage aan een bepaalde ziekte in een groep van 100.000 mensen |
| MRI | magnetic resonace imaging, een manier om beeld te verkrijgen van het binnenste van de mens door gebruik te maken van magnetische velden en radiosignalen, bekend is de MRI-scan |
| Mucositis | irritatie of ontsteking van mond- en keelslijmvlies |
| Mutageens agens | mutatie veroorzakende factor |
| Mutant | een organisme met een gemuteerd of spontaan veranderd gen waardoor de erfelijke eigenschappen van het organisme zijn veranderd |
| Mutatie | verandering in de erfelijke eigenschap, als DNA van een cel beschadigd is en die cel zich deelt ontstaan er twee nieuwe cellen die een mutatie hebben of gemuteerd zijn, de beschadiging in het DNA wordt doorgegeven aan de twee nieuwe cellen. De mutatie betekent dat de cellen iets niet meer kunnen, of iets nieuws wel en iets anders juist niet meer. |
| Myeloïde leukemie | bloedkanker uitgaande van bepaalde beenmergcellen |
| Nasofarynxkanker | hoge-keelkanker |
| Necrose | plaatselijke dood van weefsel of van afzonderlijke cellen, kan het gevolg zijn van bijvoorbeeld voedseltekort, giftige stoffen, hitte, kou, bestraling etc. |
| Nefroblastoom | embryonale kanker van de nier, ook wel Wilms gezwel genoemd |
| Neoplasie | ontwikkeling van een neoplasma |
| Neoplasma | nieuwgroei of ander woord voor gezwel of tumor |
| Neuraaltherapie | een behandeling waarbij wordt getracht de inwendige stoornissen te verbeteren door het inspuiten van een verdovende vloeistof. Hiermee zouden stoorvelden genormaliseerd kunnen worden. Deze therapie kan bij veel ziekten worden toegepast. |
| Neuroblastoom of sympathicoblastoom | kindertumor uitgaande van de stamcellen van het sympathische zenuwstelsel |
| Neurofibrosarcoom | kwaadaardig schwannoom, kwaadaardigheid uitgaande van zenuw-schedecellen |
| Neuropathie | beschadiging van de zenuwen. Kan ontstaan door chemobehandeling, bestraling maar ook door b.v. diabetes mellitus (suikerziekte) en vitaminegebrek |
| Nolvadex | zie Tamoxifen |
| Non-Hodgkin-lymfoom (NHL) | groep van kwaadaardige typen kanker uitgaande van cellen van de lymfe, met uitzondering van de ziekte van Hodgkin |
| NSAID | niet steroïde ontstekingsremmend middel dat op pijnprikkeloverdracht in de zenuwen werkt |
| NSCLC | non small cell lung cancer, niet kleincellige longkanker |
| Nutriënten | voedingsbestanddelen |
| Oesophagus | de slokdarm |
| Oestron | vrouwelijk geslachtshormoon |
| Oncologie | leer van de kwaadaardige ziekten |
| Oncolyticum | geneesmidddel dat gezwelweefsel vernietigt |
| Ongedifferentieerd | zie differentiatie van cellen |
| Opioïden | pijnverdrijvers behorend tot de opiaten, gemaakt van de papaverplant |
| Orofarynxkanker | kanker in het middelste deel van de keel |
| Osteosarcoom | botkanker uitgaande van botcellen |
| Ovarium | eierstok |
| Ozontherapie | het toepassen van ozon om de celademhaling te verbeteren. Dit kan per injectie of via huidcontact. |
| Pagets disease of the nipple | door de heer Paget ontdekte ziekte en/of afwijking aan de tepel en tepelhof ten gevolge van borstkanker |
| PAK | afkorting van groep giftige stoffen, de polycyclische aromatische koolwaterstoffen die kankerverwekkend kunnen zijn |
| Palliatie | behandeling, zowel medisch als verzorgend, zonder uitzicht op genezing |
| Palpatie | lichamelijk onderzoek door te voelen |
| Pancreaskanker | kanker van de alvleesklier |
| PAP-classificatie | resultaat van een onderzoek van een uitstrijkje, pap 1, pap 2 etc |
| Papil van Vater | de uitmonding van de galweg en alvleesklier in de twaalfvingerige darm |
| Parotis | oorspeekselklier |
| Percussie | lichamelijk onderzoek door te kloppen |
| PET-scan | positron emissie tomografie, zo worden beelden gemaakt van metabole processen door middel van radionucliden |
| Planigrafie | beeld van vlakken, tomografie |
| Plasmaferese | het vervangen van bloedplasma door ander of gezuiverd plasma |
| Plaveiselcelkanker | vorm van huidcelkanker |
| Pleurale carcinomatosis | kleine uitzaaiingen op de borstvliezen, pleuritis carcinomatosa |
| Pleuravocht | vochtophoping tussen de longvliezen (binnenzijde borstkas en buitenzijde longen) |
| Polyposis coli | een zeldzame, dominant erfelijke aandoening waarbij vanaf jeugdige leeftijd vele adenomateuze (uitgaande van kliercellen) poliepen van het slijmvlies van het colon en rectum worden gevormd, met soms ontwikkeling tot carcinoom |
| Poortwachterklier | zie schildwachtklier |
| Porth à Cath of Hickman-katheter | geïmplanteed kathetersysteem voor continue toegang tot de bloedcirculatie |
| Premaligniteit | voorstadium van kanker |
| Prevalentie | aantal gevallen in een bepaalde populatie op een bepaald tijdstip per 100.000 per jaar |
| Primaire tumor | moedertumor |
| Profylaxe | preventie en voorkòming |
| Prognose | van tevoren (pro) weten (gnosis), verwachting van het verloop van de ziekte |
| Progressie | voortgang, vooruitgang of verergering van een ziekte |
| Proteïne of eiwit | groep van ingewikkelde organische verbindingen die het grootste deel van het protoplasma (vloeistof in de cel) uitmaken; voornamelijk alfa-aminozuren en hun derivaten |
| Punctiebiopsie | punctie om cellen te verkrijgen voor onderzoek |
| Radiotherapie | behandeling met röntgen- of andere ioniserende stralen |
| Receptor | plaats in een zenuweind waar prikkels worden opgevangen of plaats waar alleen iets met een bepaalde eigenschap kan worden ontvangen of gelezen |
| Recidief | het terugkomen - weer waarneembaar worden - van kanker na een behandeling. Dit kan plaatselijk zijn, omdat de tumor niet geheel was verwijderd/verdwenen, of berusten op het uitgroeien van een of meer uitzaaiingen, die oorspronkelijk niet konden worden waargenomen. Of een nieuwe aanval van een reeds doorstane en (schijnbaar) genezen ziekte. |
| Regionale lymfeklieren | het eerstvolgende stel lymfeklieren waarin de lymfe (het weefselvocht) van een orgaan of lichaamsdeel terecht komt |
| Regressie | verdwijning van ziekteverschijnselen (niet persé van de ziekte) |
| Remissie | teruggang of afname van gezwel CR=complete remissie, PR=partiële of gedeeltelijke remissie, NC=no cure of geen genezing, de behandeling heeft geen invloed gehad |
| Respons | positieve-, negatieve of geen reactie |
| Retinoblastoom | kindertumor van het netvlies van het oog |
| Robotics | automatisering wanneer gebruikt bij de analyse van erfelijk materiaal |
| SALT | Skin associated Lymphoid Tissue – De barrière tegen schadelijke stoffen en organismen die gevormd wordt door de huid en het erbij behorende lymfoïde weefsel |
| Sarcoom | bindweefselkanker waarvan veel verschillende typen bestaan |
| Schildwachtklier, | de eerstvolgende lymfeklier waarin de lymfe (het weefselvocht) van een orgaan of lichaamsdeel terecht komt |
| Schistosomiasis | besmetting met de waterslakparasiet die schistosoma heet |
| Schwannoom | tumor uitgaande van zenuwschede-cellen |
| Scintigrafie | onderzoek met behulp van radioactieve atomen of isotopen |
| SCLC | small cell lung cancer, kleincellige longkanker, zeer ernstige vorm van longkanker |
| Second opinion | of tweede mening, het verkrijgen van een tweede oordeel over hetzelfde probleem |
| Senescence | permanente stop van cellen om zich verder te delen – de cellen delen zich niet verder maar behouden wel hun levende functie. Hiermee beschermt het lichaam zichzelf tegen kanker. Dit komt o.a. voor in de cellen van moedervlekken |
| SERM | selectieve oestrogeenreceptor modulators |
| Siliconenprothese | implanteerbare borstprothese gebruikt bij onder andere borstreconstructie na een niet borstbesparende operatie |
| SOA | seksueel overdraagbare aandoening of geslachtsziekte |
| Spinale toediening | door middel van een ruggenprik inbrengen van bijvoorbeeld medicijn in het wervelkanaal of ruggengraat |
| Stadium | de mate waarin een kankergezwel uitgegroeid is. Zie ook TNM systeem |
| Subklinisch, | (nog) geen klinische verschijnselen veroorzakend |
| Symbiontentherapi | het verbeteren van darmfunctie en immuniteit door het toedienen van darmbacteriën |
| Sympathicoblastoom of neuroblastoom | kindertumor uitgaande van de stamcellen van het sympathische zenuwstelsel |
| Syndroom van Lynch | erfelijk ziektebeeld waarbij dikkedarmkanker vrijwel altijd, en baarmoederkanker vaak, voorkomt |
| Synergie | de meerwaarde die ontstaat door samenvoeging, groter dan de som van de twee helften, vaak aangegeven als: één plus één is drie |
| Tamoxifen of Nolvadex | veel gebruikt hormonaal geneesmiddel dat gebruikt wordt bij borstkanker |
| Teratoom | tumor uitgaande van de drie embryonale kiembladen |
| Testeron | één van de mannelijke geslachtshormonen |
| Testis | zaadbal |
| Therapie | behandeling |
| Thoracotomie | operatie via of in de borstholte |
| Thrombocyten | bloedplaatjes |
| TNM stagiëring | via dit systeem wordt aangegeven hoe ver de tumor is uitgebreid, zie TNM |
| Tomografie | Röntgenfoto’s waarbij een lichaamsdeel of orgaan in diverse doorsneden, plakjes wordt afgebeeld |
| Toxiciteit | giftigheid |
| Toxine | giftige stof |
| TOXLINE | internetsite waar giftige stoffen zijn gecategoriseerd
http://toxnet.nlm.nih.gov |
| Tracheostoma | kunstmatige uitmonding van de luchtpijp in de keel |
| Trial | wetenschappelijk medisch onderzoek waarbij patiënten betrokken zijn |
| Tumormarker | een bepaalde stof die alleen in het bloed of de urine voorkomt wanneer er ergens een tumor in het lichaam aanwezig is |
| Uitstrijkje | preparaat van baarmoederhalscellen |
| Ulcus rodens | rodere betekent knagen, een huidzweer met een aangevreten rand ontstaan door basale-celcarcinoom |
| Urotheelkanker | kanker van het slijmvlies van de urineweg |
| Vector virus | drager of vervoerder van een virus |
| Vrije radicalen | deeltjes die een sterk oxiderend effect hebben of celonderdelen en moleculen |
| Wilms gezwel of nefroblastoom | embryonale kanker van de nier |
| Wilms tumor | nierkanker bij kinderen |
| WMO | wet medisch onderzoek |
| Xenograft | transplantaat of te transplanteren weefsel van een andere soort |
| Xenotransplantatie | transplantatie of overbrenging van weefsel afkomstig van een andere soort (dus niet van mens naar mens maar bijvoorbeeld van varken naar mens) |
| Ziekte van Hodgkin | kwaadaardige lymfweefseltumor |